Mentorgesprekken met leerlingen: kort, rustig en doelgericht

door | jan 24, 2026 | Progressiegericht werken | 0 Reacties

Mentorgesprekken met leerlingen kort, rustig en doelgericht

Mentoren voeren regelmatig gesprekken met leerlingen over tegenvallende resultaten. Die gesprekken zijn soms niet eenvoudig. De leerling zit er soms met hangende schouders bij, de mentor voelt de druk om iets te bereiken in beperkte tijd, en beiden weten dat goede voornemens lang niet altijd leiden tot betekenisvolle progressie. Voor een middelbare school maakte ik een handreiking die mentoren helpt om zulke gesprekken kort, rustig én doelgericht te voeren. Het uitgangspunt: niet proberen om alles in één gesprek op te lossen, maar toewerken naar een kleine, haalbare volgende stap en een vervolgcheck. Zo kun je samen met de leerling ontdekken wat werkt — en dat vasthouden.

Zeven gesprekselementen

De aanpak bestaat uit zeven elementen die je als mentor kunt inzetten. Je hoeft ze niet strak na elkaar te doorlopen. Kies wat op dat moment het meest helpend is, en werk steeds toe naar een concrete afspraak.

1. Erkennen

Door te erkennen laat je merken dat je het perspectief van de leerling hebt gehoord en serieus neemt — zonder dat je het ermee eens hoeft te zijn. Dit vergroot de veiligheid en de verbondenheid, helpt de leerling om te ontspannen en verder door te denken, en maakt goede vervolgvragen mogelijk.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Ik begrijp het.”
  • “Dat lijkt me lastig…”
  • “Klinkt logisch, vertel me daar eens iets meer over als je wilt…”
  • “Dus als ik het goed begrijp…” (waarbij je de kernwoorden van de leerling gebruikt)
  • “Dus de situatie is dat…” (waarbij je de kernwoorden van de leerling gebruikt)

2. Normaliseren

Normaliseren betekent dat je laat merken dat wat de leerling meemaakt of voelt normaal en begrijpelijk is gezien de omstandigheden. Dit haalt spanning en zelfverwijt weg, zodat de aandacht kan gaan naar wat er te doen is.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Je bent niet de enige die hiermee te maken heeft.”
  • “Veel leerlingen lopen daar wel eens tegenaan.”
  • “Ik spreek vaak leerlingen die tegen dit soort problemen aanlopen.”
  • “Ik kan me voorstellen dat het niet gelukt is, de stof is ook uitdagend.”

3. Positieve verwachting creëren

Een positieve verwachting creëren betekent dat je op een terloopse, subtiele manier inbrengt dat het beter kan worden in de nabije toekomst. Dit ondersteunt hoop en volhouden, nodigt uit tot gerichte inspanning, en vergroot de kans dat de leerling daadwerkelijk stappen gaat zetten.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Wat ik vaak zie is dat als leerlingen goed gaan werken, hun resultaten ook beter gaan worden en ze het vak steeds leuker gaan vinden.”
  • “Als het probleem zo meteen is opgelost, wat gaat er dan beter?”
  • “Wat is het eerste waaraan je zo meteen zal merken dat de dingen de goede kant op gaan?”

4. Zichtbaar maken van wat werkt

Vervolgens help je de leerling om zichtbaar te maken wat al werkt. Je brengt samen in kaart wat al werkt, waar dat uit blijkt en wat daarbij helpend was. De leerling geeft voorbeelden; jij als mentor vult aan met wat je zelf hebt gezien. Dit versterkt het competentiegevoel en het optimisme, en levert concrete aanknopingspunten op voor de volgende stap.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Laten we niet meer veranderen dan nodig, want er gaan al dingen goed. Wat werkt al?”
  • “Waar ben je al tevreden over?”
  • “Wanneer is het je al eens gelukt om…?”
  • “Mij valt op dat het in de les soms wel lukt om… Hoe lukt je dat?”
  • “Wat hiervan wil je vasthouden terwijl je de volgende stap gaat proberen?”

5. Kleine stap kiezen

Met jouw ondersteuning kiest de leerling een kleine volgende stap die haalbaar is. Dit verlaagt de drempel om in actie te komen en genereert beweging. Vanuit die beweging ontstaan nieuwe motivatie en ideeën voor verdere progressie.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Wat is een kleine volgende stap die je als eerste wilt uitproberen?”
  • “Hoe wil je het concreet aanpakken?”
  • “Wanneer ga je dat doen en hoe vaak?”
  • “Waaraan merk je straks dat je op de goede weg bent?”

6. Vastleggen (inclusief vervolgafspraak)

Je legt kort vast wat is afgesproken en maakt een concrete vervolgafspraak om te kijken hoe het aan het lukken is. Dit maakt cyclisch werken mogelijk en faciliteert de stap van goede voornemens naar feitelijke progressie.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Ik noteer het even zodat we het gemakkelijk kunnen onthouden en het er de volgende keer even bij kunnen pakken.”
  • “Hoe zal ik het noteren?”
  • “Laten we op [datum] even verder praten om te bespreken hoe het aan het lukken is.”

7. Vervolggesprek

Een kort vervolggesprek waarin je bespreekt hoe het aan het lukken is en wat vervolgstappen zijn. Dit rondt het cyclisch werken af, zorgt voor continuïteit, en helpt om werkzame aanpakken vast te houden en minder werkzame aanpakken gericht aan te passen.

Voorbeeldformuleringen:

  • “Hoe is het aan het lukken?”
  • “Wanneer werkte het goed?”
  • “Wat deed je toen precies?”
  • “Wat gebeurde er toen?”
  • “Wat is je volgende stap vooruit?”

Indien nodig doorloop je in het vervolggesprek opnieuw de eerdere stappen: erkennen, normaliseren, een positieve verwachting creëren, enzovoort.

Tot slot

Deze aanpak vraagt geen lange gesprekken of ingewikkelde technieken. Het vraagt dat je als mentor bereid bent om niet alles in één keer te willen oplossen. Door te werken met kleine stappen, vastlegging en vervolgafspraken, bouw je samen met de leerling aan duurzame progressie.

Wat vind je van dit artikel?
  • Bruikbaar (3)
  • Interessant (2)

0 reacties

Een reactie versturen

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

 

► UPDATES & REACTIES