Psychologische labels zijn onderdeel geworden van ons dagelijks taalgebruik. We noemen iemand “narcist”, herkennen onszelf in “hoogsensitief”, of vragen ons af of een kind “ADHD heeft”. Zulke labels zijn zo gewoon geworden dat we nauwelijks nog stilstaan bij wat ze doen. Ze plaatsen het probleem in de persoon. Ze suggereren dat er iets mis is met iemands hoofd of karakter. En ze kunnen de blik op de context en op ontwikkelmogelijkheden verkleinen. Depathologiseren betekent: gedrag of emoties uit de stoornishoek halen. Niet om problemen te bagatelliseren — de moeilijkheden blijven reëel — maar om ze anders te bekijken. Om te zien dat veel van wat we “stoornis” noemen eigenlijk begrijpelijke reacties zijn op lastige omstandigheden. En om ruimte te maken voor groei. In dit artikel verken ik vijf manieren waarop depathologiseren een rol kan spelen.
1. Het historische perspectief
Wat als stoornis geldt, is minder vaststaand dan we vaak denken. Homoseksualiteit stond tot 1973 in de DSM als psychiatrische stoornis. Nu zien we het als normale variatie. Genderidentiteit maakte een vergelijkbare verschuiving door. Wat ooit als ziekte werd behandeld, wordt nu erkend als onderdeel van menselijke diversiteit. Dit relativeert de “waarheid” van huidige diagnoses. Laura Batstra benadrukt dit punt: stoornissen als ADHD worden niet vastgesteld via biologische markers zoals bij diabetes. Er is geen bloedtest, geen hersenscan die ADHD aantoont. In plaats daarvan worden diagnoses gesteld op basis van gedragsbeschrijvingen — “vaak moeite om de aandacht erbij te houden”, “vaak onrustig bewegen”. Zulke criteria laten ruimte voor interpretatie. Wat de ene beoordelaar als stoornis ziet, ziet de andere als normale variatie.
Batstra spreekt van diagnostische inflatie: steeds meer gedragingen worden als pathologisch bestempeld, terwijl ze vroeger als normaal golden. De grens tussen gewoon druk en “ADHD” is verschoven. De grens tussen verlegenheid en “sociale angststoornis” ook. Het historische perspectief leert ons voorzichtigheid. Wat we nu als stoornis zien, wordt over dertig jaar misschien heel anders bekeken.
2. Normaliseren in coaching en therapie
In benaderingen als oplossingsgerichte therapie en progressiegerichte coaching gebruiken professionals een techniek die “normaliseren” heet. Het idee is eenvoudig maar krachtig: iemands zorgen presenteren als begrijpelijke reacties op moeilijke omstandigheden, in plaats van als symptomen van iets dat mis is met die persoon.
Neem een leraar die zich ziek meldt met stressklachten na maanden van hoge werkdruk, een conflict met de schoolleiding, en zorgen over een reorganisatie. Een pathologiserende blik zou kunnen focussen op de vraag of deze persoon misschien “burnout-gevoelig” is, of er sprake is van een “aanpassingsstoornis”. Een normaliserende blik zegt iets anders: “Het is begrijpelijk dat je zo reageert. Veel mensen zouden in die situatie vastlopen. Laten we kijken wat zou kunnen helpen.”
Dit kleine verschil in framing heeft grote gevolgen. De leraar voelt zich niet langer een patiënt met een defect, maar een normaal mens in een lastige situatie. Dat herstelt het gevoel van invloed op de eigen situatie en maakt het makkelijker om vooruit te kijken. De vraag verschuift van “wat is er mis met mij?” naar “hoe kan ik hier doorheen kan komen” Normaliseren is depathologiseren in de praktijk. Je erkent dat iemand het moeilijk heeft, maar je haalt die moeilijkheid uit de stoornishoek. En daarmee ondersteun je een groeimindset: de overtuiging dat de situatie kan veranderen, dat ontwikkeling mogelijk is.
3. Hoe we over anderen praten
Depathologiseren kan ook een rol spelen in het dagelijks leven, in hoe we praten over mensen om ons heen. Psychologische labels zijn gemeengoed geworden in alledaagse gesprekken. “Die collega is echt een narcist.” “Mijn schoonmoeder is duidelijk borderline.” “Hij is gewoon autistisch, daar kun je niks aan doen.” Zulke uitspraken geven een gevoel van begrip. Ze lijken iets te verklaren. Maar Batstra waarschuwt voor reificatie: het behandelen van abstracte labels alsof het concrete dingen zijn die in mensen huizen. Wanneer we zeggen “hij is zo moeilijk omdat hij een narcist is”, verwarren we een beschrijving van gedrag met een verklaring ervoor. Het label verklaart niets — het geeft alleen een naam aan wat we zien.
Een alternatief is om gedrag te beschrijven zonder er een label aan te hangen. “Hij luistert weinig naar anderen” in plaats van “Hij is een narcist”. “Zij reageert heftig op kritiek” in plaats van “Zij is borderline”. Dit houdt de deur open voor context en voor verandering.
4. Hoe we over onszelf denken
Labels spelen ook een rol in hoe we naar onszelf kijken. “Ik ben nu eenmaal hoogsensitief, dus ik kan niet tegen drukte.” “Ik heb sociale angst, dus presenteren zal nooit iets voor mij worden.” “Ik ben ADD, daarom kan ik me niet concentreren.” Er zit iets verleidelijks aan zulke zelfbeschrijvingen. Ze bieden een verklaring voor waarom dingen moeilijk zijn. Ze kunnen zelfs opluchting geven: het ligt niet aan luiheid of wilskracht, er is een reden. Maar diezelfde labels kunnen ook een plafond worden. Als iets vastzit in wie je bent, lijkt ontwikkeling onmogelijk. Het label wordt een reden om niet te proberen, om bij voorbaat op te geven. Dit is waar depathologiseren persoonlijk wordt. Het gaat om de stap van “ik bén…” naar “ik heb last van…” naar “ik leer om…”. Van “ik ben sociaal angstig” naar “ik vind presenteren nog lastig” naar “ik oefen met presenteren en het wordt langzaam iets makkelijker”.
Hierbij past een belangrijke nuance. Progressie betekent niet altijd dat de moeilijkheid verdwijnt. Het betekent niet dat je “normaal” moet worden, of dat alles goed komt als je maar hard genoeg oefent. Soms gaat het erom een manier te vinden om met iets om te gaan die bij jou past — niet om het weg te trainen. De vraag is niet “hoe word ik van dit af?” maar “hoe kan ik hiermee leven op een manier die voor mij werkt?” Zelf-depathologiseren vraagt moed, want het betekent afstand nemen van een verklaring die misschien lang bescherming heeft geboden. Maar het maakt ruimte voor beweging.
5. De context aanpassen
Een laatste vorm van depathologiseren richt zich niet op het individu, maar op de omgeving. Dit is misschien wel de belangrijkste verschuiving.
Janne Hedegaard Hansen, hoofd van het Centrum voor een Beter Kinderleven in Kopenhagen, onderzocht wat er gebeurt met kinderen nadat ze een diagnose hebben gekregen. Haar bevinding is verontrustend: kinderen komen vaak vast te zitten in systemen die hen onbedoeld beperken in plaats van versterken. Het label leidt tot lagere verwachtingen. Maar Hansen documenteert ook het tegenovergestelde. Kinderen met serieuze beperkingen — fysiek of psychisch — kunnen floreren wanneer hun omgeving hoge verwachtingen houdt én goede ondersteuning biedt. Wanneer ze worden gezien als volwaardige deelnemers die kunnen leren en groeien, in plaats van als “gevallen” die moeten worden aangepast of beschermd. Dit verschuift de vraag. In plaats van “wat is er mis met dit kind?” wordt het “wat vraagt deze omgeving van dit kind, en hoe kunnen we die omgeving aanpassen zodat het kind kan floreren?”
Hier past een eerlijke erkenning. Veel professionals — docenten, zorgverleners, coaches — willen helemaal niet zo snel labelen. Maar het systeem dwingt hen vaak wel. Een kind krijgt pas extra ondersteuning als er een diagnose is. Een “rugzakje” vereist een label. Vergoeding van zorg hangt af van een classificatie. Veel professionals zitten vast in een bureaucratie die pathologiseren beloont en depathologiseren bemoeilijkt. Dat is geen verwijt aan hen, maar aan hoe het systeem is ingericht.
Depathologiseren is niet bagatelliseren
Een cruciaal onderscheid. Depathologiseren betekent niet zeggen dat problemen “niks voorstellen” of dat mensen zich aanstellen. Het gaat om erkenning zonder ziektelabel. De moeilijkheid blijft reëel — alleen de verklaring verandert. De volgorde is belangrijk: eerst erkennen (“dit is zwaar, ik begrijp dat je het moeilijk hebt”), dan depathologiseren (“en het is een begrijpelijke reactie op een lastige situatie”), dan perspectief bieden (“wat zou kunnen helpen om vooruit te komen?”). Wie de eerste stap overslaat — de erkenning — riskeert dat depathologiseren overkomt als invalidatie. “Je stelt je aan.” “Het valt wel mee.” Dat is precies wat het niet zou moeten zijn.
Depathologiseren en neurodiversiteit
Het is zeer belangrijk te erkennen dat labels voor sommige mensen iets belangrijks bieden. Een diagnose kan opluchting geven: eindelijk een naam voor wat je voelt. Het kan een gevoel van erkenning bieden: je bent niet gek, er is echt iets aan de hand. En het kan gemeenschap bieden: anderen die hetzelfde doormaken. De neurodiversiteitsbeweging — mensen die eigenschappen als autisme of ADHD zien als neurologische variaties in plaats van defecten — laat zien hoe een label ook identiteit en verbinding kan geven. Voor veel mensen in deze beweging is hun neurotype een fundamenteel onderdeel van wie ze zijn, niet iets om van af te komen.
Op het eerste gezicht lijkt dit te botsen met depathologiseren. Maar bij nader inzien delen beide perspectieven een belangrijk uitgangspunt: stoppen met het individu als “defect” te zien. Of je het label nu loslaat of omarmt als neutrale identiteit — in beide gevallen verwerp je het idee dat iemand “genezen” moet worden naar een of andere norm van normaal. Het verschil zit in de strategie, niet in het doel.
Depathologiseren en progressiegericht werken
Depathologiseren past naadloos bij de uitgangspunten van progressiegericht werken. Het versterkt de methodiek op drie essentiële vlakken:
- Ten eerste ondersteunt het de groeimindset. Labels suggereren vaak iets statisch (“hij ís zo”), wat de hoop op verandering kan blokkeren. Depathologiseren herstelt de ruimte voor ontwikkeling: niet door te ontkennen dat iets moeilijk is, maar door de toekomst open te houden.
- Ten tweede versterkt het autonomie. Mensen komen in beweging wanneer ze zich eigenaar voelen van hun situatie. Een zware diagnose kan iemand onbedoeld tot passieve patiënt maken, afhankelijk van een behandelaar. Depathologiseren geeft het stuur terug in handen: jij bent degene die invloed kan uitoefenen op je eigen proces.
- Ten derde helpt het bij het zien van betekenisvolle progressie. Wie zichzelf ziet als “gestoord” of “defect”, ziet kleine stapjes vooruit vaak niet als echte winst, maar als toeval. Depathologiseren maakt die kleine successen weer zichtbaar en betekenisvol.
Zo bezien is het geen losse techniek die je af en toe toepast, maar een grondhouding die de hele cyclus van leren en presteren fundamenteel ondersteunt.
Tot slot
Depathologiseren is een uitnodiging om anders te kijken naar problemen — die van anderen en die van onszelf. Het vraagt om terughoudendheid met labels en ruimhartigheid in ondersteuning. Het vraagt om aandacht voor context naast aandacht voor het individu. En het vraagt om geloof in ontwikkeling, ook wanneer dingen moeilijk blijven. Het is geen pleidooi om alle diagnostiek af te schaffen, en het staat niet tegenover mensen die hun label omarmen als onderdeel van hun identiteit. Maar het is wel een tegenwicht tegen de neiging om steeds sneller te pathologiseren, en om steeds meer menselijk gedrag in de stoornishoek te plaatsen.
Waar zou jij kunnen depathologiseren?


0 reacties